Als schaduw van voorbije zon
waarin zomer zich als droom herinnert
breidt bronsroodgeel verkleurend loof
zich bladvoets over bomen uit.
Waarmee toch raken de slinkende dagen
hun volle takken, dat zij weten:
het is tijd om van het groen te scheiden?
Of overkomt het hen,
zoals ook wij niet zelf besluiten
tot grijsharigheid?
De zon verlegt haar baan naar lager kim;
wordt kiem van zwijgen in een nacht
waarin het zelf tot op haar bodem aan zal komen.
Wereldlicht, dat onlangs laaiend nog
van buitenaf de bossen bescheen,
gloeit nu van binnen brandend
in de bladeren op,
voordat zij vallen in een laatste daad
van warmte geven aan de grond,
die dampend af gaat koelen
en zich zal sluiten
voor een hemel die alleen nog
in ons ogenlicht kan overwinteren.