search

De fietser en de maan

Door het keukenraam zag ik de volle maan
achter de bladertakken van de donkere plataan;
Licht en schaduw drukten zich als levend wit en zwart
in de sluiers van mijn ademende hart.

Uit de gloed van het doorblauwde avonduur
kwam een fietser trapperwiekend aan;
Hij leunde gelukzalig voorover op het stuur,
en in zijn ogen waakte een andere maan.

Heerlijk, om in de mantel van een koele herfstnacht
naar huis te fietsen in een stilte die de jouwe is;

Als je tenminste een huis hebt om naar terug te keren,
en een fiets om op te rijden,
en benen die niet kreupel of versleten zijn;

Als er tenminste ooit door onbekende handen
een weg is aangelegd langs huizen
waar anderen thuisgekomen zijn of komen gaan;

Als er tenminste straten zijn
die naar bestemmingen leiden,
en er bestemmingen zijn
waarvoor de straten van de stad zijn uitgedacht;

Als er tenminste ook een stad is
die huizen, straten en bewoners heeft;

En als er maar een grens is waar de stad ophoudt,
zodat daarbinnen je bestemming wel moet zijn,

Mocht je tenminste niet uit je bestemming
en in het onbekende willen geraken;

Als het onbekende tenminste niet allang
uit de wereld is verdreven,
en het einde van de wereld ook niet meer bestaat;

Als er tenminste maar een wereldruimte is
om doorheen te kunnen reizen,
en een tijd waarlangs kan rijpen
wat onderweg gezaaid werd;

Als er tenminste een heelal is
dat in ons rijpen naar zichzelf kijkt.

Gepubliceerd in poëzie | Getagged , | Laat een reactie achter
careers

Teeslekens

Het woord lekdetectie is neplectuur voor dyslectici

(en plectrum centrumplek van een rumlek)

(maar dit terzijderoute)

handbook
Gepubliceerd in taal | Getagged copyright | Laat een reactie achter

Na het spelen van de Mondschein-sonate*

Elke liefde blijft onbeantwoord

behalve de liefde die ontstaat
door de vraag van de ander
die in het eigen hart ontwaakt.

Maar de vraag die de wereld stelt
aan ons eigen bestaan
is de grootste liefde
die wij kunnen beantwoorden

met het licht
dat wij verwekken
in en met elkaar.

 

 


* Het eerste deel dan hè..
De piano-sonate opus 27 nr. 2 (cis klein) die Ludwig van Beethoven in 1802 componeerde, is vooral door het 1e deel wereldberoemd geworden. Het was echter niet Beethoven zelf, maar de dichter en muziekcriticus Ludwig Rellstab, die tijdens een nachtelijke boottocht met volle maan moest denken aan dit betoverende (Beethoverende) 1e deel van deze sonate, en er daarom de naam “Mondschein-sonate” aan gaf. Sindsdien wordt de sonate eigenlijk altijd zo genoemd.

Gepubliceerd in poëzie | Getagged , , , rss | Laat een reactie achter

Bijzetting

Het is tijd je klein te maken;

niet te klein natuurlijk,
maar precies zo als je zijn zou
wanneer ik je niet kende,

wat vanaf nu
weer helemaal zo is.

Ik voeg je zonder weemoed, zonder wroeging,
zonder cement ook,
in het decor van de omgeving in;

kijk je nog even aan en na,

maar wie of wat je bent,
ik weet het niet:
ik heb je nooit gekend.

En als ik nog eens omkijk
vind ik je al niet meer terug.

Dat is niet erg, want met jou
zijn ontelbaar velen waar ik niets
en van daaruit alles mee te maken heb.

 

 

 

Gepubliceerd in poëzie | Getagged , , | Laat een reactie achter
search

“O, een grote hond”

(of: de kwestie van de betrouwbaarheid van ooggetuigen)

Na een fietstocht door de duinen was het tijd voor koffie bij boerderij Meijendel. Een Zuid-Hollandse augustusmiddag, niet warm en niet koud, met dampend licht dat door de wolken brak, die zich die ochtend en de avond tevoren nog met hun buien hadden uitgeleefd op het dorstige land. Schaduwen en licht speelden om de dingen heen, ze beurtelings wekkend en weer in slaap sussend. Alles verloor steeds zijn werkelijkheid, ten gunste van iets onbestemds.
Ik had plaatsgenomen aan een tafeltje aan de rand van het terras, met mijn rug naar de duinen en zicht op boerderij en bedrijvigheid van personeel en gasten. Erg druk was het overigens niet.
Cappuccino voor me op het tafelblad, schrijfboekje op schoot en pen in de hand, wachtte ik op een reis die in mijn hoofd zou moeten beginnen, maar die steeds werd uitgesteld door vlagen zonlicht, vogelzang, en windgeruis dat flarden van stemmen meevoerde die mijn aandacht uitnodigden voor hun spel van wervelingen, dat steeds weer in de lucht oploste en opnieuw verscheen. Zelfs de wolken hoorde ik, zonder naar ze te kijken, door de hemel schuiven.

Links van mij kwam een echtpaar bij een naburig tafeltje aan. Sportief en kundig geklede laat-vijftigers, begin zestigers misschien, zichtbaar begerig om de vermoeienissen van het fietsen met het nippen aan koffie uit de stramme leden te verjagen. Doorgewinterde echtgenoten ook, die rentenierden van een overschot aan goede moed en welwillendheid. De vrouw zette zich kwiek neer op een stoel met een zitkussen, waaraan door de zwarte kleur niet te zien was dat het doorweekt was van de regen van de afgelopen dagen. Ze veerde, als een gedreven kamerlid dat het woord vraagt, meteen weer overeind met een kleddernatte broek, en verkondigde vrij luid maar vooral nuchter: “Nou, net of ik in mijn broek geplast heb!” Misschien zodat wij, tijdelijke omwonenden, als zij zich straks naar binnen zou begeven, niet juist dàt zouden denken bij het zien van haar doorweekte derrière. De natte kussens werden verwijderd en ze namen onverminderd plaats aan hetzelfde tafeltje.

Rechts van mij zat aan een ander tafeltje een man alleen, een stevige zeventiger met een door zon en wind verweerde kop, pensionado-bruin wachtend tot zijn vrouw uit de boerderij terug zou komen met de bestelling. Hij zat er met een houding die in wilde gaan op alles en iedereen die zich in zijn blik- of aandachtsveld vertoonde, dus nadat ik zijn nieuwsgierige ogen had beantwoord met een begroetende hoofdknik, trok ik snel aan mijn rechterzijde de denkbeeldige gordijnen dicht. Ik hoorde wel dat hij nog iets begon te vertellen, maar liet hem merken dat ik het niet zo opvatte als dat wij in gesprek waren. Waarop ik voelde dat hij zijn blik, totaal niet ontmoedigd, naar elders verlegde. Hij had geluk, want aan het tafeltje op enige afstand voor ons kwam net een jong stel aan, eind twintigers, met een jonge, maar grote en blakende herdershond, die naar alle kanten glansde in zijn volle, zwarte vacht. De vrouw van het stel hield hem aan de lijn. Zijn rug kwam bij haar zeker tot navelhoogte, en zij had ook zichtbaar moeite het sterke dier in toom te houden. Terwijl haar vriend naar binnen liep om de versnaperingen tegen betaling aan de keukenvoorraad te gaan ontrukken, was zij druk in de weer de hond tot liggen te bewegen. Maar die wilde liefst achter zijn baasje aan. Uiteindelijk sprak ze de reusachtige hond, waartegen zij wat klein afstak, bestraffend toe, en lijnde hem aan haar stoelpoot aan, waarna het uiteindelijk met de kop op de poten neerzeeg, zich overgevend aan de verveling die ongetwijfeld ging komen en lang zou gaan duren. Het droomspel van licht en schaduwen zette net weer in, toen uit het niets een machtige, testosteron-doortrokken mannenstem de ruimte doorkliefde. Het was de stem van de zeventiger rechts van mij, maar hij klonk als een veertiger, robuust laag, krachtig en vol zelfvertrouwen, als een driemaster zeilend voor de wind met opbollende zeilen: “Wat een pràch-ti-ge hond heeft u! Echt, hij is wer-ke-lijk prach-tig!”
De hond, die zich niet aangesproken voelde, legde zijn oren nog wat platter naar achteren op zijn kop en bleef verlangend naar de ingang van de boerderij kijken. Zijn bazin, die na dit welkomstsaluut van kapitein Henk (ik noem hem maar even zo) niet onder een reactie uit kon komen zonder onbeleefd te lijken, bedankte hem voor het compliment. Waarop kapitein Henk het nog maar eens herhaalde, zichtbaar blij dat zijn opmerking aansloeg: “Het is werkelijk een prachtige hond die u daar heeft”. De vrouw bedankte hem geduldig nogmaals, maar al met een intonatie die een mogelijk vervolg naar een gesprek uitsloot, zodat hij verder zweeg, en met de hond mee naar de ingang van de boerderij ging kijken, want zijn vrouw bleef inmiddels toch wel lang weg. “Moeten die taarten nog gebakken worden of zo?”, vroeg hij aan een instantie van hemzelf die ik, ondanks mijn uiteenzetting met de antroposofische scholingsweg, niet waarnam.

Nu gebeurde het volgende. Van achter het tafeltje met de hond en de jonge vrouw, kwamen twee mensen aanlopen. Een man van ruim in de veertig, met op een paar passen afstand achter hem een bejaarde, veel oudere vrouw in mantelpak en met geruite sjaal, waar met ongeschreven letters “Benoordenhout” op stond. Een vleugje geur van die Haagse woonwijk ging voor haar uit, zonder opdringerig te willen zijn. Maar hoe bescheiden ook: het bleef een statement. De man droeg een bril en een baseball-petje, en was licht gekleed in spijkerbroek en overhemd. Losjes lopend met één hand in de broekzak, keek hij wat geamuseerd om zich heen, olijk bijna, maar ook met een scherpte in zijn blik, die iedereen vriendelijk leek uit te dagen de discussie met hem aan te gaan. Hij betrad als eerste de ruimte tussen onze tafeltjes, en draaide zich half om naar de oude vrouw achter zich, waarbij zijn blik viel op de gestalte van de liggende hond, niet ver van zijn voeten opdoemend. Meteen flapte hij er wat onbeholpen uit: “O, een grote hond”, waarbij het “O” even lang duurde als “een grote hond”, en hij de klemtoon legde op “hond”. Hij zei het ook vrij luid, zodat alle tafelzitters rondom gedwongen werden even op te kijken naar degene die sprak: “Ooo, een grote hònd.” Het was niet alleen een constatering, maar ook een commentaar op zijn omgeving, niet zozeer kritisch, maar met een ingesleten luciditeit. Zijn constatering van de aanwezigheid van de hond moest voor de omgeving ook de erkenning van zijn eigen aanwezigheid zijn. Maar er was nog meer aan de hand. In het uitspreken van de woorden “O, een grote hònd” vond bliksemsnel de transformatie plaats van een innerlijke schrik om iets wat hij niet verwacht had, naar de neutraliserende rationalisering van deze ervaring door het beschrijven van zijn waarneming. Dit was iemand, die in staat was razendsnel elke voor buitenstaanders detecteerbare innerlijke emotie of zielsmatige reactie te verbergen onder een intellectueel onbewogen constateringsvermogen, waarachter zijn persoonlijkheid verborgen bleef. Ik had inmiddels al gezien dat het Mark Rutte was, onze minister-president, en hetzelfde besef begon ook te dagen bij de andere tafelzitters. Er ontstond zowaar een verbroederende sfeer van sensatie, die zich bijna tastbaar onder de aanwezigen verspreidde, terwijl Rutte en de oude vrouw intussen doorliepen naar binnen, de boerderij in. “Dat was toch?” Dat was toch Rutte?” “Onze premier?”, klonk het van alle kanten tussen onze tafeltjes, die ineens een kring van verbondenheid bleken te vormen. Men geloofde het bijna niet.
Kapitein Henk, rechts van mij, begon meteen hardop te speculeren: “Wie zou die vrouw zijn waar hij mee samen was?” Ik zei, omdat ik dat soort dingen nou eenmaal weet: “Dat was zijn moeder.” Maar Henk wilde daar niet aan: “Zou het zijn vriendin zijn? Valt hij toch op vrouwen? Hoe heet ‘ie, van Frankrijk, Macron, die heeft ook een oudere vrouw!”. En hij glimlachte breed bij dit staaltje deductie. Hij had gewoon besloten dat de echt veel oudere vrouw die Mark Rutte vergezelde, zijn vriendin moest zijn omdat de Franse president Macron toch ook een oudere vriendin had, maar volgens mij ook omdat hij het idee wel grappig vond. Hij zette de werkelijkheid gewoon naar zijn hand. Wat waar te nemen viel werd door hem gewoon overruled door hoe hij vond dat de werkelijkheid moest zijn. Want er was tussen Mark Rutte en de oudere vrouw werkelijk geen spoor te bekennen van iets dat ook maar in de verste verte leek op een liefdesrelatie. Het was te absurd voor woorden om juist dàt op die waarneming te plakken. Maar Henk volhardde er in, en daar vermoedde ik een ludiek verzet in tegen hoe de wereld in elkaar zit. Een wereld waar hij zich wellicht zijn hele leven aan had aangepast, om mee te kunnen doen, te overleven, maar waartegen hij diep van binnen altijd een sterke weerzin had gevoeld. En nu, na de pensionering, was er eindelijk ruimte om lucht te geven aan dat verzet, aan het onrecht ten opzichte van de menselijke ziel, dat al met de lagere school begon. In de laatste jaren die nog restten kon hij ruimte geven aan alles wat zijn diepere wezen altijd binnen had gehouden en afgeschermd: de afkeer van alles wat niet mocht, of juist moest. In het licht van het naderende einde, dat het belang van al die dingen deed verbleken, was voor hem de tijd aangebroken dat hij zelf vrijelijk bepaalde hoe de wereld in elkaar zat. En zo stond hij zichzelf toe van Mark Rutte’s moeder zijn vriendin te maken. Opeens begreep ik ook dat zijn voorafgaande lofprijzing van de hond vooral betrekking had op de jonge vrouw; dat hij hààr prachtig vond, en zichzelf toegestaan had door de hond heen tegen haar te zeggen dat zij prachtig was. Daarom had de hond zich ook niet aangesproken gevoeld, zich niet geraakt gevoeld door de intentie van deze goed bedoelende man, die diep van binnen overspoeld werd door de wanhoop over wat hij allemaal voorbij had laten gaan.

Maar terug naar de gebeurtenissen, want kapitein Henk bleek niet de enige die de werkelijkheid naar zijn hand zette. De hond veerde op, want zijn baasje kwam terug uit de boerderij, en zijn vriendin hield het niet uit: “Moet jij eens raden wie hier net was en zei dat we een prachtige hond hadden! Die Rutte, van de politiek, weet je wel!”
Op dit punt aangekomen, begon ik te beseffen hoe ongelooflijk onbetrouwbaar getuigenverklaringen moeten zijn. Het was niet Rutte die de hond prachtig had genoemd, maar kapitein Henk. Rutte had alleen gezegd: “O, een grote hond”. Het was de sfeer van sensatie, die als een mengeling van dronkenschap en geilheid het oordeelsvermogen van de jonge vrouw aantastte, en haar ter plekke geschiedvervalsing liet bedrijven, zonder het minste besef daarvan, maar overigens ook zonder kwade bedoelingen.

Eindelijk kwam ook de vrouw van kapitein Henk aanzetten met een dienblad vol drankjes en hapjes, en hij zei opgewonden tegen haar: “Je hebt onze premier gemist; die liep hier net langs met zijn vriendin”.

Ik besloot dat het tijd was om op te stappen, maar ging nog wel even naar het toilet. Vanwege mijn zonnebril drong het pas na een tijdje tot me door dat ik naast Mark Rutte stond te urineren. Ik kon het niet laten tegen hem te zeggen dat hij heel wat had losgemaakt met zijn opmerking over die hond. Waarop hij verstrooid opkeek: “Welke hond? O, was dat uw hond, die grote hond! Nou, prettige wandeling verder nog.” En hij begaf zich naar de wastafel, waar hij de mouwen opstroopte om zijn handen te wassen.
Ik was nog niet klaar, en keek raad zoekend naar mijn nadruppelende piemel (ja: bij plassen, en alleen bij plassen heet het mannelijk lid een piemel), me afvragend waar het aan lag dat ik er uit zag als iemand die aan het wandelen was geweest. Even overwoog ik nog om te zeggen dat ik op de fiets was, dat het mijn hond niet was, dat ik aan een heel ander tafeltje had gezeten, en dat ik heus wel wist dat het zijn moeder was en niet zijn vriendin. Maar hij was al vertrokken.
“Gingen wíj maar weer wandelen” schoot buiten inmiddels door het hoofd van de hond, door wie dit alles in gang was gezet.

 

 

 

Gepubliceerd in proza, schrijven | Getagged , , , | Laat een reactie achter
careers

In gesprek met Novalis

Es gibt eine Kraft, die in einem wirkt und immer anwesend ist, durch welche man betrachtet wird wie ein Gegenstand, wovon es sich fragt wie es am Besten zu benützen ist. Diese Kraft ist nicht ohne weiteres Böse oder Gut zu nennen, weil sie Beides sein kann. Aber sie ist in dir, und macht dich zum Objekt ihrer Absichten, da wo deiner Empfindung der Welt unbegleitet geht von dem Erfahren deiner tieferen Lebensziele. Und du merkst es nicht, wie auch der Käfer in neuer Richtung weiter läuft, wenn wir ihn aufgehoben und wieder auf der Erde abgesetzt haben.
So lange du deiner Richtung nicht selber bestimmst, bewegst du dich durch Welt und Leben nach den Absichten anderen Wesen und Kräfte.
Erst wenn du den fremden Einfluss bemerkst und anhältst, fängst du an wirklich selbst zu leben.

 

 


Nederlandse vertaling:

Er bestaat een kracht, altijd in je werkend en aanwezig, die jou opvat als een voorwerp, waarvan het zich afvraagt hoe het dat het beste kan gebruiken. Deze kracht is niet zonder meer slecht of goed te noemen, omdat ze beide kan zijn. Maar ze is in je aanwezig, en maakt jou tot object voor haar doeleinden, daar waar jouw ondervinden van de wereld niet begeleid wordt door het ervaren van je diepere levensdoelen. En jij merkt het niet, zoals ook een kever in een andere richting verder loopt, als wij hem hebben opgetild en weer op aarde hebben neergezet.
Zolang jij je richting niet zelf bepaalt, beweeg je je door leven en wereld volgens de intenties van andere wezens en krachten.
Pas als je de vreemde invloed opmerkt en stilhoudt, begin je werkelijk zelf te leven.

handbook
Gepubliceerd in proza, schrijven | Getagged , , copyright | Laat een reactie achter

Dingen om in Friesland te doen

Bijvoorbeeld zeilen op het Slotermeer,
in het tempo van de wind en van het water,
die je nooit sneller ergens brengen dan je zijn kunt;
je komt steeds stipt op tijd aan, niet vroeger en niet later,
zelfs als de wereld inmiddels is vergaan.

De waakdroom van het klotsopwekkend
door golven snijdend schip,
dat wonden met zijn boeg slaat,
die het in zijn kielzog weer meteen geneest,
rechtvaardigt elke koers,
zolang je maar gaat, de adem van de vaart
je rug verwijdt, je eigen vleugels bij de zeilen zet,
en het hart aanblaast tot gloeikern van een ongekende aarde;

uit de deining stijgt het op
naar hoger horizon,
van waaraf het je aankijkt:
zijn eigen kind en afkomst.

Alles komt aan waar het is,
voor niets deins je terug,
en geen ding gaat voorbij
dan wat niet bij je hoort.

 

 

Gepubliceerd in poëzie | Getagged , , , rss | Laat een reactie achter

Het geheim van het kind

Het geheim van het kind
is dat het alleen zelf weet
waarheen het is gegaan
toen jij een man of vrouw werd
of iets daar tussen in.

Mocht je het zoeken, het liet je een bericht:
“Ik ben niet bij de poort naar het rijk
van onze vader maar ik ben die poort en word
om mij te vinden weer aan mij gelijk.”

Dat was het dan, of nee op de achterkant
zie je gekrabbeld nog iets staan:
“Hoe jij dit ook keert of wendt het is aan jou
dit te geloven of af te doen als kinderwaan.”

Gepubliceerd in poëzie | Getagged , | Laat een reactie achter
search

Het geheim van de man

Het geheim van de man
is zijn keuze voor een vrouw
die lijkt te vallen voor de vorm
waarin hij al verkeert,

maar die hem daarna leidt
naar een verschijning van zichzelf
waarin hij zich onwillig kleedt.

Ken je die vrouw,
dan ben jij die man.

 

 

 

Gepubliceerd in poëzie | Getagged , , | Laat een reactie achter
careers

Het geheim van de vrouw

Het geheim van de vrouw
is haar keuze voor een man

die eenmalig is
hoe vaak hij ook bij anderen herhaald wordt

Ken je die man,
of hij nog bij haar is of niet,
dan ken je de vrouw.

 

 

 

 

handbook
Gepubliceerd in poëzie | Getagged , , , copyright | Laat een reactie achter