Een strandtent op een late augustusmiddag. Een goed uitziende oudere man stapt met een wat defensieve houding vanaf het terras naar binnen, de naar zout hout ruikende schemerdrukte voor de bar in. Zijn blik is oplettend, maar ook mat, en je ziet aan hem dat hij alles uit vermoeidheid neemt zoals het is. In de rij staat een vrouw van onbestemde leeftijd, mogelijk wat ouder dan hij, zelfbewust schaars gekleed in een bikini met voorname uitstraling. De ingezette sporen van veroudering op haar gebruinde lichaam kunnen niet verhullen dat zij een buitengewoon mooie vrouw is geweest, in de jaren dat zoiets er nog toe deed. Hij kent de nonchalance van het afstand nemen van het eigen lichaam goed: die maakt de aftakeling verdraaglijk. Haar blik wordt onmiddellijk naar de binnenkomende man getrokken, en ook hij ziet haar, registreert het korte rusten van haar ogen op zijn gestalte. Ze kijkt meteen weer van hem weg, alsof ze zich heeft laten kennen, en gaat door met wachten tot ze aan de beurt is. Hij ziet het onwillekeurige knikkebollen van haar hoofd, waarvan zij zichzelf niet bewust lijkt te zijn. Een beginnende neurologische aandoening? vraagt hij zich af: zou ze daar nou zelf niks van merken? Verder dan dat reikt zijn belangstelling niet, afgeleid als hij is door de roes van geluiden, geuren en lichamen in de te kleine binnenruimte.
Ondanks dat de vrouw een paar plaatsen voor hem in de rij staat, is hij met zijn eenvoudige bestelling – één cappuccino – eerder klaar, en loopt naar buiten, waar zijn oog al viel op een leeg tafeltje, aan de buitenkant van de terras-omarmende, met ramen uitzichtig gemaakte schutting. Het is een windstil plekje in de mild gloeiende namiddagzon, waar hij tevreden neerploft. Hij zit nog maar net, of de vrouw betrekt twee meter van hem vandaan demonstratief een alleenstaande stoel zonder tafel, en plant er een tweede stoel voor, om haar mandje brood met aioli neer te zetten. Hij merkt haar onrust, en het duurt dan ook niet lang voor ze, half naar hem toegewend tegen hem zegt: “U bent me net voor. Ik had dat tafeltje al eerder op het oog. Had zelfs kussens op de stoelen gelegd.” Haar stem klinkt alsof ze een hand familiair op zijn arm legt.
De man weet even niet wat hij moet doen, en besluit dan een eveneens familiair gebaar te maken: “Nou wat mij betreft kunt u erbij komen zitten hoor: plek genoeg!”
De vrouw schudt haar haren even naar achteren, voor ze met een geroutineerd spottende blik op hem uitroept dat ze “toch liever wat meer afstand houdt”. Iedereen kan het horen. De man bloost niet, maar haar woorden zinken zienderogen via zijn oren naar zijn borst, waar ze in een beheerste uitademing verdwijnen. “Prima hoor”, zegt hij, “wat u wilt”. Hij nipt aan zijn koffie. De vrouw trekt zich terug in het uitzoeken van stukjes brood, maar lijkt in de nagalm van haar ferme woorden steeds meer ruimte in te nemen. Ook de glimlach om haar mondhoeken verraadt dat zij ervan overtuigd is een triomf behaald te hebben. Het automaatachtige ja-knikken van haar hoofd begint weer.
Nu is de man onrustig. Hij voelt zich bij nader inzien in een verkeerd daglicht geplaatst, en laat het er niet bij zitten: “Ik begrijp u niet”, zegt hij ineens tegen haar, luider dan nodig: “U lijkt een gesprek met mij te willen aangaan, maar u wil mij alleen maar laten weten dat ik u zogenaamd van ‘uw’ plek beroofd heb. En dat is nog niet alles: door mij aan te spreken bent u degene die de afstand tussen ons overbrugt, terwijl het eerste wat u daarna zegt is dat u liever meer afstand tussen ons bewaart. Het lijkt verdorie wel alsof u denkt dat ik u probeer te versieren of zo. Alsof mijn uitnodiging een pickup line zou zijn. Nou, dan heeft u wel een erg hoge dunk van uzelf. Ik ben zelf ook aardig op weg, maar úw vergane glorie is toch wel echt op haar hoogtepunt mag ik wel zeggen. Maar misschien heeft u de fases van uw leven niet meer helemaal helder. Bent u al bij een dokter geweest? Dat schokkerige geknik met uw hoofd de hele tijd ziet er niet goed uit: ik zou er naar laten kijken als ik u was.” Hij leek niet in de gaten te hebben – of het kon hem niet schelen – dat tijdens zijn tirade de gesprekken aan de omringende tafeltjes verstomden, en iedereen zich met steelse blikken op het tafereel afvroeg wat er nu zou gaan gebeuren. Vooralsnog ontrolde zich alleen een ongemakkelijke stilte.
Ineens staat de man abrupt op, giet de laatste slokken cappuccino in zijn keel, en loopt met het dienblaadje in zijn hand richting strandtent. Als hij haar passeert, kijkt de vrouw niet op, maar vraagt, met een wat onhandige intonatie: “Ik ken u toch niet ergens van, is het wel?” Hij schudt ontkennend zijn hoofd, wroet dan met één hand in een broekzak, waaruit hij een ring tevoorschijn haalt die hij met open hand aan haar laat zien. De vrouw kijkt er wantrouwig naar. “Nee, die wil ik niet”, zegt ze. De man stopt de ring weer terug in zijn broekzak. “Hij is ook niet voor u bedoeld”, zegt hij, “maar misschien kunt u zo vriendelijk zijn mijn kopje even naar binnen te brengen”. Hij plaatst het kleine dienblad in haar verbouwereerde schoot en loopt weg richting zee. Sommigen zien hoe zij het dienblad, na er als verlamd naar te hebben gekeken, wild van zich afwerpt. Anderen kijken de man na, en zien hoe hij, bij de branding aangekomen, iets uit zijn broekzak haalt en met een krachtige armbeweging de zee in gooit. Daarna loopt hij evenwijdig aan de kustlijn weg.
“Zou dat die ring zijn? vraagt iemand zich hardop af. En haar buurman haakt in: “Wat mensen niet allemaal in zee gooien tegenwoordig; je staat er van te kijken.” “Allemaal micro-plastics ook”, vult de derde tafelgast aan: “de zee zit er vol mee”. “Ja”, zegt zijn partner, “de wereld gaat echt naar de klote. Nog één biertje doen voor we aftaaien?”