Ik weet nog dat ik lang geleden nietsvermoedend een geliefde in d’r okselhaar hapte omdat me dat wel opwindend leek, maar dat ik daar een soort van deodorantvergiftiging van opliep. Ik sprak in elk geval ineens vloeiend Hongaars, en kreeg m’n haar een week lang niet platgekamd.
Deze deodorantherinnering1) kwam bij me naar boven tijdens het wandelen onlangs, over ochtendstoepen en bosomzoomde paden bij opkomende novemberzon in ontwakende stad, wadend door geurwolken, uitgewasemd door fris gewassen volk op weg naar studie, school of werk, het nadampend ochtendtoilet net achter de rug, en nu in mijn neus.
Waardoor ik moest denken aan alle fabrieken in de wereld waar geurhoudende producten worden gemaakt, en aan de ontelbare grondstoffen die vanaf allerlei locaties naar die fabrieken worden getransporteerd, om daar in samenstellingen waar ze zelf niet voor gekozen hebben (grondstoffen hebben ook rechten!) als producten de deur weer uit te gaan, vervolgens in winkelschappen wachtend op consumenten, die ze kopen om thuis op het lichaam aan te brengen om uiteindelijk als wandelende geurkaarsen2) over straat te gaan.
Al die geurmoleculen van shampoos, douche- en haargels, parfummetjes, scheerzeepjes, after-shaves, poedertjes, tandpasta’s en deo’s, die zich via deze kringloop elke ochtend in de atmosfeer verspreiden, in tijdzonegolven over de hele wereld heen, wie weet op zoek naar hun land van oorsprong! Wat gebeurt er met die geurdeeltjes? Lossen ze op in de dampkring? Hopen ze zich ergens op? Regenen ze neer met buien? (Ineens vind ik het verdacht dat het soms na plensbuien naar lavendel-perzik-combinaties ruikt bij poelen op straat).
Los daarvan vroeg ik me af hoe zich dit geurbombardement verhoudt tot de uitstoot van CO2, die daarbij toch moet verbleken. Het zullen minstens miljoenen flesjes, flacons en potjes zijn waarmee men dagelijks in de weer is. Daar schijten alle koeien in de wereld niet tegen op, dacht ik zo.
Ik stelde me de aarde voor als een soort synthetisch geurende heelal-appel. Als er kosmische wespen zouden bestaan, zou onze planeet ermee overdekt zijn. Misschien is dat ook allang zo, maar nemen wij ze niet waar, omdat – hallo – kosmische wespen onzichtbaar zijn hè, dat spreekt voor zich.
Geurtjes zijn ook onzichtbaar, maar kunnen desondanks letterlijk adembenemend zijn. Wandelde je net nog rustig, de gedachten in je ontwakende ochtendbewustzijn sorterend en beluisterend, of plop: zo’n geurwolk van een tegenligger of vooroploper breekt het innerlijk bouwwerk aan diggelen. Mensen, zou ik willen zeggen, laten we onszelf dit niet aandoen. Het zijn allemaal niet bepaald subtiele geuren waarmee wij de natuurlijke staat van het lichaam proberen op te leuken. Bovendien, na een dag lang inwerken op de huid, trekt het geurwerk, gemengd met zweet, in de kleren, copuleert daar met wasmiddelrestanten, kortom: er ontstaat er een zekere broeierige zuurte in het walmen, die me aan schimmelende bosgrond doet denken. Zodat ik vrees – mocht jij ineens zomaar dood neervallen met je synthetisch ingeweekte Badedas-body – dat er heel snel paddestoelen uit je oksels gaan groeien. Enfin: niks waar een goede crematie geen raad mee weet, maar toch: in die tussenliggende dagen kan het nog flink uit de klauwen lopen.
Misschien wordt het tijd om de geurtjes-uitstoot ook aan een quotum te onderwerpen? Ik ben namelijk wel benieuwd hoe de ochtend éigenlijk ruikt.
1) Mogelijk betreft het hier fictie (je moet als schrijver niet teveel duidelijkheid verschaffen over je privéleven).3)
2) Huisparfum en geurkaarsen: slecht voor de gezondheid? (Artikel op Belgische gezondheidswebsite)
3) Fictie is overigens heel wat anders dan fake. Genetisch gemanipuleerde maïs bijvoorbeeld is géén fictie, maar wél fake. Bij cornflakes van genetisch gemanipuleerde maïs is dus eigenlijk sprake van cornfakes, maar zie dat er zonder lobbybudget maar eens door te krijgen bij de Europese Commissie.