Apotheekmedewerkers zijn vaak best aardig, maar minstens net zo vaak staan ze je met zichtbare tegenzin achter de balie op te wachten met een air van waarom ze hier hun zelfverklaard-hoogopgeleide tijd zitten te verdoen met het helpen van nota bene mensen.
De medewerker van deze keer heb ik nog niet eerder gehad. Braaf leg ik mijn volgnummer in het daartoe bestemde bakje. Hij kijkt er niet naar, in beslag genomen door zijn computerscherm. Er heeft nog nooit een apotheekmedewerker naar mijn volgnummer gekeken. Ik vind dat treurig, maar ook een mooie zin.
“16 maart 1964” zeg ik kordaat. De ervaring leert dat apotheekmedewerkers nergens op reageren voordat ze je geboortedatum in de computer hebben ingevoerd. “Meneer Sôrghèdhrâghèr?” Hij spreekt het uit alsof ik uit Georgië kom. “Ja, Sorgdrager met een S inderdaad”, bevestig ik het enige dat hij goed uitspreekt (wel even positief blijven hè).
“Frankenslag?” vervolgt hij, niet onder enige indruk. Ik knik.
“Goed: wat kan ik voor u doen?” Dit is het eerste moment dat hij mij aankijkt.
“Ik kom iets ophalen, maar ik wilde ook vragen: heeft u Gencydo van Weleda?”
“Is dat een antibioticum?” informeert hij.
“Nee, het is van Weleda”. Deze correctie zou voldoende moeten zijn, maar ik zie geen inzichtlichtjes in zijn ogen verschijnen. “Zo’n neusspray voor bij hooikoorts”, voeg ik dan maar toe.
“O, dan kijk ik even bij de Otrivin”, en hij draait zich om naar de kast achter hem.
“Ja maar het is van Weleda”, zeg ik tegen zijn rug. “Niet van Otrivin.”
“Genocide zei u?” Zijn vingers glijden rap langs de keurig uitgestalde doosjes met scheikundige cocktails.
“Nee: Djèn-sié-do heet het. Van Wé-lé-da”.
“Ik zie het niet. Volgens mij hebben we dat niet. Ik haal eerst even uw medicijnen”, en hij verdwijnt naar achteren, nog voordat ik tegen hem kan zeggen dat de Weleda-producten aan de andere kant staan. Ik kom hier wel vaker namelijk. Terwijl hij weg is check ik die andere kant even, waar al snel een doosje Gencydo neusspray onder mijn borende blik begint te blozen van ongemak.
Even later komt hij terug met mijn medicijnen in een papieren zakje, dat hij op de balie legt. “Deze zijn voor u, maar Genocide van Wedela is er niet.”
“Misschien heeft ze hooikoorts”, opper ik, me een barones met gelijkluidende naam herinnerend. Omdat hij nu wel erg verbouwereerd begint te kijken vervolg ik: “Geintje: ik zag net toevallig dat de Gencydo dáár staat.”
Hij volgt mijn wijzende vinger naar de andere kant, waar hij aarzelend voor de planken met Weledaproducten blijft staan. Ik krijg inmiddels hulp van de volgende klant, voor wie het ook allemaal te lang duurt. Samen loodsen we, met commando’s als “één rij hoger”, ‘nee, naar links”, “bijna: eentje terug” en “ja dat is ‘m” zijn zoekende hand naar het blozende Gencydo-doosje.
Hij pakt het eruit, en laat het me zien: “Weet u het zeker? Is wel € 15,98 zie ik.”
“Oh, doe dan maar iets van Otrivin” zeg ik, en met name deze laatste zin berust niet op waarheid.
Een gedachte over “Spray-kverwarring”
Dank Taco, hierdoor werd zelfs de genocide gravin van Wedela een vrolijke noot in mijn bestaan. Fijn.