Ik ken iemand die geen hoop meer heeft. “I’m without hope anymore” zegt ze van zichzelf in het Engels, dat niet haar moedertaal is. Maar wat houdt zonder hoop zijn precies in? Of: wat is hoop dan eigenlijk? Om die vraag met iets van een antwoord te benaderen, deel ik wat overwegingen, die bij me opkwamen door het Duitse woord “Hoffnung” (hoop), dat in een meditatietekst staat, ingebed in het zinsdeel “des Innern Hoffnungsstrahlen”, wat zoiets betekent als “het stralen van de hoop van het innerlijk”.
Hoop dus als een innerlijke zon of lichtbron die stralen uitzendt. Hoewel we dan snel hebben gevonden wat hoop is, weten we nog niet waar die hoop als innerlijke zon vandaan komt, of hoe die gewekt of in stand gehouden kan worden. En hoewel dat een interessante onderzoeksrichting is, wil ik die weg hier niet inslaan, omdat ik voorzie dat ik er hopeloos in zal verdwalen. Maar misschien gebeurt dat sowieso wel.
Eerst even terug naar het Duitse woord “Hoffnung”, dat grote gelijkenis vertoont met dat andere Duitse woord “Öffnung” (opening). Afgezien van de umlaut op de “O” in “Öffnung”, verschillen beide woorden maar met 1 letter, namelijk de “H”. In het Duits zit het verschil tussen hoop en opening dus in de H-klank, die aan “opening” voorafgaat. Datzelfde verschil, iets minder exact, zien we ook in het Engels (hope – open/opening) en in het Nederlands (hoop – open/opening).
Wat doet de “h”-klank met het begrip “opening” door eraan vooraf te gaan? Dat is misschien de vraag die nu gesteld moet worden. De zuivere h-klank, zonder de eraan vastgeplakte “aa” waarmee we de “h” als letter uitspreken, is de kracht van de uitademende luchtstroom, is een activiteit waarmee je iets ‘door-lucht’, zodat er ruimte ontstaat in wat potdicht, muurvast en compact in zichzelf samengebald is en wat in zekere zin doodgaat van afgeslotenheid. De “h”-klank kan daar als activiteit letterlijk lucht en ruimte in brengen, en het afgeslotene zo ook weer toegankelijk maken voor licht en zuurstof en leven. Zoals bij mond-op-mondbeademing, maar denk ook aan de moeder van alle mond-op-mondbeademingen: die van God-vader die bij Adam de levensadem inblaast.
Waar het woord “opening/Öffnung” meestal duidt op iets dat er al is (een opening zit ergens in als iets bestaands), wijst “hoop/Hoffnung” eerder naar iets dat er nog niet is, maar dat wel gewild wordt. Hoop is het verlangen naar opening in het bestaande, zodat daarin ruimte komt voor iets anders. Maar hoop is niet alleen dat verlangen naar opening: het is zélf de kracht die het bestaande opent om ruimte te maken voor wat nog niet bestaat. Vandaar dat de “h”-klank in “Hoffnung/hoop” eerst moet komen: de scheppende luchtstroom van de “h” maakt de opening. En dat is mooi te ervaren in het Duits: “Hhhhh-offnung”. Door de inwerking van de “H”-klank op de “O” erodeert deze tot de “Ö” van “Öffnung”. De “Ö” van “Öffnung” laat de inwerking van de “H” op de “O” zien, als een spoor uit het verleden, dat het ontstaan van de opening heeft veroorzaakt. Het ontstaansproces van hoop naar opening is zodoende vastgelegd in de taalklanken van het woord “Öffnung”.
Hoop, hoop hebben of kunnen hopen, is de innerlijke kracht om iets geslotens te openen. Wie -om terug te komen op mijn vraag aan het begin – geen hoop meer heeft, ontbeert deze innerlijke kracht, meestal vanwege omstandigheden die van buitenaf zodanig op iemand inwerken, dat alles dicht gaat zitten en er geen openingen meer ervaren kunnen worden, waardoor het bestaan gereduceerd wordt tot een benauwende duisternis zonder lucht, licht, leven of liefde.
De componist Arvo Pärt heeft met het koorstuk “The Deer’s cry” een geneesmiddel gecomponeerd om in je op te nemen bij vergaande hopeloosheid. Ik wil dat verder niet toelichten. Luister er hieronder maar eens naar, dan kan je ook de noten én vooral de tekst meelezen. In de stiltes die hij toevoegt, is de ruimte ervaarbaar die door de gezongen woorden als opening is ontstaan:
Vorige week mocht ik – als vroeg verjaardagscadeau van mijn broer – de werking van deze compositie zelf weer eens ondergaan in een live uitvoering van het Estonian Philharmonic Chamber Choir o.l.v. dirigent Tõnu Kaljuste in “PHIL” (voorheen Philharmonie Haarlem).
Mij viel toen ineens op, dat de tekst van The Deer’s Cry een verre verwantschap lijkt te hebben met de gebedstekst die als afsluiting van een traditionele zegeningsceremonie van de Navajo-stam uit Noord-Amerika werd gebruikt, en die als getoonzette canon over de wereld is gegaan, en door veel koren wordt gezongen:
“Now I walk in beauty,
Beauty is before me,
Beauty is behind me,
Above and below me.”
Zet daar de tekst van The Deer’s Cry naast, en je voelt wellicht de verwantschap tussen deze 2 teksten, maar ook hoe The Deer’s Cry een instemmend antwoord op én verdieping is van “Now I walk in beauty”:
“Christ with me,
Christ before me,
Christ behind me,
Christ beneath me,
Christ above me,
Christ in me,
Christ on my right,
Christ on my left,
Christ when I lie down,
Christ when I arise,
Christ when I sit down,
Christ when I arise,
Christ in the heart of every man
who thinks of me,
Christ in the mouth of everyone
who speaks of me,
Christ in every eye that sees me,
Christ in every ear that hears me,
Christ with me.
Een gedachte over “(H)open”
Mooi, Taco!