Een evolutie in clichés

touw met knoop

Op een dag in de prehistorie ging de zon op.
De man kreeg daar zin van in zijn knoken en zei: “Ik ga jagen, vrouwtje”.
De vrouw antwoordde: “Goed zo, mannetje, dan ga ik nog wat leuke dingen sprokkelen voor in de grot.”
De man wou al met zijn knots naar buiten lopen, maar op de drempel lag een knoop.
“Ik ga eerst even die knoop doorhakken vrouwtje”, zei hij. En begon te rammen met zijn knots, boven op die knoop.
Nou, dat schoot lekker op, dat kan ik je wel vertellen.
Tegen de avond zag zijn knuppel er uit als een afgeragde mammoetbout, maar de knoop was nog helemaal intact, alleen wat platter.
“Waar is het eten, jagermannetje van me?”, vroeg de vrouw.
“Vandaag eten we niet, sprokkelvrouwtje, want ik heb de platte knoop uitgevonden”, zei de man.
O, en wat hebben we daaraan?” vroeg de vrouw.
“Nou”, zei de man, “dat weet ik nog niet, maar de aarde is ook plat, dus het zal wel ergens mee te maken hebben.
De vrouw zuchtte en ging slapen. Hongerig.

De volgende dag had de man er weer lekker zin in. “Ik ga jagen, vrouwtje.”
“Ja ja”, mopperde de vrouw.
De man liep met zijn knots naar buiten, maar daar zag hij op de drempel weer die knoop liggen.
“Vrouwtje, ik ga toch eerst even die knoop doorhakken, ja.”
Waarop de vrouw zei: “Moet dat nou? Ik heb honger. Kan je dat niet na het jagen doen?”
“Maar,” zei de man. “ik móet echt hakken, het voelt gewoon als een soort van eeh evolutie, of hoe heet dat ook weer wat jij met die ovulatie van je hebt elke week?”
“Hallo zeg”, zei vrouw, “laat je de potentiële kinderen d’r even buiten ja: en dat is helemaal niet elke week, maar eens per maand, maar dat kan je ook niet weten, want we hebben de kalender nog niet.”
De man keek haar verbijsterd aan: “Hou je eigenlijk nog wel van me?”
“Ja hoor”, zei de vrouw korzelig, “zolang je maar voor het eten zorgt, knuppelkauwertje van me.”
“Ja maar ik voel zo’n onstopbare graagte. Als ik die knoop zie móet ik hem doorhakken.”
“Zou je dan niet eerst eens bv. het mes uitvinden, of de bijl“, zei de vrouw, “dan komen we tenminste wat verder. Je hebt al ik weet niet hoelang met die knuppel op knopen lopen rammen, en ik heb al heel lang geen goed stuk vlees meer gezien. Zo komen we niet verder. Straks sterven we nog uit. Of moet ìk soms gaan jagen?”
“Ho ho”, zei de man: “we gaan geen gekke dingen doen hè! Jij bent veels te eeh-niet-mans-genoeg om te jagen. Jij krijgt niet eens een knuppel omhoog.”
“Tsja”, zei de vrouw, we weten inderdaad wel wie er hier altìjd z’n knuppel overeind krijgt. Maar waar leidt dat toe? Dat is meer de vraag.”
“Niet zeuren; sprokkelen!” zei man tegen de vrouw. En hij draaide haar de rug toe en begon weer blijmoedig met zijn knuppel op de knoop te rammen.

Bij het vallen van de nacht had hij zijn tweede knots naar tevredenheid aan flarden geslagen op de inmiddels nog plattere knoop. “De aarde is ook plat”, had hij steeds herhaald, terwijl zijn arm met de knuppel onvermoeibaar neer had gebeukt op de harde grond.
De vrouw kwam naar buiten met haar knapzak.
“Wat ga jij nou doen?” vroeg de man.
“Ik heb wel een knoop doorgehakt”, antwoordde ze. “Ik verhuis naar de buren. Lekker pannekoeken eten. Hebben ze vandaag uitgevonden: pannekoeken. Zijn nog platter dan die knoop van jou. En nou je het toch vraagt: de buren weten inmiddels ook dat de aarde niet plat is, maar rond. Dus blijf jij maar lekker knopen doorhakken met je knuppel tot je een ons weegt.”
“Een ons? Een ons?” Wat is een ons?” vroeg de man, als door een wesposaurus gestoken.
“Een ons is een gewichtsaanduiding, kluns. Weten de buren al maanden. Een ons is hoe zwaar iets weegt, ja. Ons. Hebben wij nooit gekend. Ons. Doei.”

2 thoughts on “Een evolutie in clichés

Reageren? Graag!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.