Boomdroom

Een boom beluistert de wereld met oren die wij niet zien, en die wij haar – zouden we ze wél zien – niet zouden gunnen. Maar bomen hebben onze zelfverklaarde heerschappij niet nodig: die is voor hen op hun beurt onwaarneembaar.

Een boom is in haar gestalte een wezen dat de wereld beluistert, al is het maar vanwege een trage ademhaling, vanwege wisseling van stof. Een boom beluistert alles wat in de wereld buiten de dingen leeft die van elkaar gescheiden zijn door hun eigen bestaan. In alle tussenruimten luistert de boom, naar wat aan onstoffelijke beelden, verwachtingen, verlangens door de atmosfeer heen trekt. Al het gewilde zonder lichaam, dat alles beluistert de boom, en geeft het onderkomen in haar bladeren, die als duizenden ongeboren dromen aan haar takken thuis zijn. De hele zomer lang vormt de boom een kroon van stemmen waar wind en licht mee spelen. Hieraan zie je hoe traag de ademhaling van een boom kan zijn. En hoe levendig traagheid is.

Dit dacht ik allemaal niet terwijl ik weer eens langs de Waterpartij liep; nee, ik voegde het later toe alsof het voorafging aan het moment waarop ik ontwaakte uit mijn mijmeringen. Maar het ging er niet aan vooraf: dat moment was er ineens, misschien omdat een lichtstraal van de opkomende zon, ergens ver weg achter me, een kleine schittering veroorzaakte in het water. Ik wendde mijn hoofd ernaar toe, en zag een esdoornblad dat op de rug in het water dreef. De zijkanten waren opwaarts gekruld, als de ingevouwen vleugels van een zwaan, en de bladsteel verhief zich als een zwanenhals boven de waterspiegel. Vlagen herfstige ochtendwind bliezen beweging in dit vreemde wezen, dat eerst een boomblad was maar nu een ranke watervogel werd, die in sierlijke bochten dobberend naar voedsel leek te zoeken, en zelfs in mijn richting naar de oever toe bewoog, waar ik het uit het oog verloor onder de met gras en verwelkend loof begroeide walkant.

Ik wachtte nog even, maar de esdoornzwaan kwam niet meer tevoorschijn, zodat ik me afvroeg of ik haar wel werkelijk gezien had, of dat het maar de droom van een boom was geweest, die een van haar bladeren had laten vallen om even te voelen hoe het moest zijn om als een zwaan over het water te glijden. Ik zocht met mijn blik de tegenoverliggende oever af, me afvragend of ik de boom waarvan dit blad was afgevallen kon vinden, maar het lage zonlicht verblindde me totaal. Terwijl ik mijn ogen met mijn hand afschermde van het goudwitte licht, herinnerde ik me wat er daadwerkelijk aan dit moment was voorafgegaan.

Ik had aan deze vrouw gedacht, die nu iets langer dan een half jaar geleden overleed na een onbarmhartig ziekbed, en verweet mezelf dat ik me de kleur van haar ogen niet meer precies voor de geest kon halen, ook al had ik haar maar kort en zijdelings gekend. In plaats daarvan was ik terug gaan denken aan de dingen die zij deed, hoe ze zich presenteerde aan de wereld, en getuigde van haar veelzijdige, creatieve en misschien wel gewoon geniale tegenwoordigheid van geest, die ook een mengeling was van kinderlijke speelsheid en diepe wijsheid. En precies op dat moment had het zonlicht mijn aandacht geleid naar het drijvende esdoornblad dat een dobberende zwaan werd. En ik besefte dat het iets was waar zij een verhaal of gedicht over had kunnen schrijven, zelfs zonder het daadwerkelijk meegemaakt te hebben.

Reageren? Graag!

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.