Mijn vader en het roodborstje (geen sprookje)

Het begon nog vrij onopvallend, maar met elke keer dat het gebeurde werd het opmerkelijker, ook omdat het steeds op andere plekken plaatsvond. Maar wel steeds tijdens de wandelingen die ik met mijn vader maakte langs de bosbezoomde Scheveningseweg. Mijn vader onderging sinds enige tijd de gevolgen van ‘beginnende dementie’, zoals de diagnose geruststellend aangaf. Dat uitte zich onder andere in een enorme vertraging van het levenstempo. Wandelen was schuifelen geworden, en praten en wandelen tegelijk ging ten koste van het bewaren van evenwicht. De afstanden die wij aflegden waren in ruimtelijke zin klein, maar op een andere manier heel groot. Want het hele leven dat hij achter zich had wandelde mee, praatte mee met ons. En alles wat nog zou komen, begon door de wereld die ons omgaf heen te schemeren. Vaak was ook niet helemaal duidelijk wat verleden en wat toekomst was: het was er allemaal tegelijkertijd. En dan gebeurde het, dat in een moment van even stilstaan, van het verzamelen van verleden en toekomst om ons heen, een roodborstje neerstreek op het voetpad vlak voor ons, en met name mijn vader leek aan te kijken. Het diertje was absoluut niet bang, en bleef onbeweeglijk zitten kijken en ons met de blik volgen terwijl wij langs hem heen verder schuifelden. De afstand tussen het diertje en mijn vader bedroeg daarbij meestal nog geen halve meter. Als wij dan voorbij waren, vloog het roodborstje weg, maar soms kwam het met ons mee, en ging weer vlak voor ons op het voetpad zitten, om opnieuw te kijken naar mijn vader. Deze ontmoetingen waren er heus niet altijd, maar ik schat zo’n 5 op de 8 keer, om een indruk te geven. Die indruk vind ik belangrijk, want één keer is nog toevallig; twee keer is verbazend; drie keer begint op te vallen; en nog meer keren wordt wonderlijk. Of wonderbaarlijk. Nu goed: dat was het eerste hoofdstuk, dat in lente en zomer 2019 speelde.

Op 12 oktober 2019 is mijn vader overleden. Heel snel en plotseling. Het paste bij hem zoals het gegaan is. Daar is natuurlijk veel meer over te vertellen, maar dat ligt buiten de lijn van dit verhaal. De dag van de uitvaartplechtigheid was ik heel vroeg op, omdat ik door alle voorbereidingen niet voldoende toe was gekomen aan het opschrijven van wat ik wilde zeggen over hem, ten overstaan van alle familie en vrienden die straks zouden komen. Ik was behoorlijk aan het stressen, schreef bladzijden vol in mijn notitieboekje, maar vond toch niet de juiste woorden. Ten einde raad vloog ik het balkon op, om te roken en afstand te nemen. Ik stond er al eventjes, toen links van mij, op nog geen meter afstand, een roodborstje neerstreek op de balustrade, en mij doordringend begon aan te kijken met die vurige donkere oogjes, het hoofd schuin en een paar keer wisselend van kant. Ik keek terug, maar het diertje week niet met zijn blik, en bleef ook zitten, tot ruim nadat de vraag bij mij opkwam wat zij of hij mij wilde zeggen met dit doordringende gestaar. En opeens begreep ik dat dit het was wat ik moest vertellen: deze ontmoeting met het roodborstje, èn de ontmoetingen met het roodborstje tijdens de wandelingen met mijn vader. En ik raakte vol vuur. Daarop vloog het roodborstje weg: het had daar zeker een minuut gezeten. We hadden echt contact gehad.

Aldus geschiedde, en ik vertelde tijdens de uitvaartplechtigheid over de ontmoetingen met het roodborstje en mijn vader. Deze plechtigheid vond plaats in het relatief nieuwe crematorium “Haagse Duinen”, dat een aula heeft met een glazen achterwand, die uitzicht geeft op het achterliggende bos, dat zich toen in prachtige beginnende herfstkleuren tooide. Na afloop kwam één van mijn puberneven naar mij toe en zei zoiets als: ”Oom Taco, dat was heel grappig toen je vertelde over dat roodborstje, want toen zag ik achter jou in het bos dat er een roodborstje kwam zitten op de tak van een boom die direct achter jou stond buiten.”

Later die middag, bij mijn zus thuis met de familie, keek ik door het raam de achtertuin in, en zag hoe op de schutting een roodborstje kwam zitten, dat over de rand dichterbij hipte, en bij ons naar binnen keek. Toen ik iedereen er opmerkzaam op maakte, viel ook voor de eerste keer iets te horen in de trant van: “O, is er weer een roodborstje? / Hebben we nog niet genoeg roodborstjes gehad?”. Toch kwamen de meesten wel even kijken. Nu goed: dat was het tweede hoofdstuk.

Ergens in de week na de uitvaartplechtigheid, kwam Geralda Geerligs bij mij langs. Zij is de therapeute waar mijn vader één keer per week euritmie-therapie bij deed. Geralda had niet aanwezig kunnen zijn bij de uitvaart, en wilde mij nog iets geven. Ze deed haar tas open en haalde er een grote, zelfgemaakte foto uit van een roodborstje, waarbij ze zei dat het diertje haar zo aan mijn vader deed denken. Frappant, want zij had alle verhalen over het roodborstje en mijn vader niet gehoord of meegekregen. Het is overigens de foto die bovenaan dit stuk staat. Dank je wel Geralda dat ik hem hier mag laten zien.

Nog een paar dagen later zag ik bij de post die mijn moeder ontving een condoléance-kaart van de dagbesteding van Rudolf Steiner Zorg, waar mijn vader nog maar kort één keer per week naar toe was gegaan. Alle groepsgenoten hadden de kaart, met op de voorkant een aquarel van een roodborstje, met hun naam ondertekend. Ook van hen was niemand bij de uitvaart geweest, en had niemand iets over roodborstjes rondom mijn vader gehoord. In mijn familie werd het vanaf nu ook stil waar het de goedbedoelde ironische opmerkingen betrof over de steeds opduikende roodborstjes. De veelvuldigheid was overweldigend: het bleef maar doorgaan, en ik of wie dan ook hoefde niets te zeggen over ‘geen toeval’, ‘wonderlijk’, of ‘verbazingwekkend’. Het was namelijk wonderlijk en verbazingwekkend. Nu goed: dat was het derde hoofdstuk.

Half maart 2020: de lockdown begon. Ik besloot elke dag te gaan wandelen. Rond de Waterpartij, door de Scheveningse bosjes, en het duinbos dat omsloten wordt door de Duinweg, waar wij vroeger woonden. Maar ik wilde deze wandelingen ook combineren met een bepaalde meditatieve activiteit, daartoe aangemoedigd door een voordrachtencyclus van Rudolf Steiner1), en een bijzonder boek over ontmoetingen met gestorvenen2). Ik besef heel goed dat dit een onderwerp is waar niet iedereen iets mee zal kunnen, maar voor mij is het deel gaan uitmaken van de realiteit waar ik in of mee leef. Ik zou er niet over beginnen als het niet nodig was voor het vervolg van wat ik wil vertellen.

Door de genoemde boeken, en eerdere ervaring met (antroposofische) meditatie of de voorbereiding daarop, heb ik tijdens deze wandelingen de afgelopen maanden een aantal dingen geleerd en beseft. Wie de realiteit van een geestelijke of bovenzinnelijke wereld wil ervaren, moet in eerste instantie vooral leren zwijgen. Alleen door het vanuit een gevoelde intentie openen en open houden van een innerlijke ruimte, kun je een brug slaan naar deze wereld, maar ook naar de zielen van de gestorvenen. En die wereld is dichterbij dan ik gedacht had. Vroeger verzuchtte ik wel eens: “Ja ik doe zo mijn best, maar ik merk nooit iets”, en voor ik het wist was dan ik alleen nog maar bezig met het invullen van vermoedens of het uitgebreid ontmoedigd stilstaan bij mijn beperkte vermogens en onbeperkte falen. Ik was daarmee zoals de ene gesprekspartner die minutenlang hoogdravend en aan één stuk door aan het woord is, om vervolgens aan de ander te vragen: “Waarom zeg jij nou nooit iets?” Om, als die ander dan zijn mond opent om iets te gaan zeggen, zelf weer net zo onverstoorbaar als daarvoor verder te kletsen. Ik heb dus inmiddels geleerd dat wij meestal over de reacties vanuit de geestelijke wereld heen walsen met ons denken, haar overstemmen met onze invullingen en verwachtingen, en onze aan aardse verhoudingen ontleende voorstellingen van die reacties. Daardoor merk je inderdaad vaak niets. Terwijl er van alles is. Als je leert om op de juiste wijze opmerkzaam te zijn. Toch wil dat niet zeggen dat op elke inspanning meteen een reactie volgt. Ik heb meegemaakt dat ik pas een week later een reactie kreeg op een intensief gevoelde vraag of een sterk bewogen moment van verbinding zoeken. En daarnaast heb ik ook geleerd dat niet elke vraag die je aan de geestelijk wereld stelt een antwoord oplevert, meestal omdat je met die vraag vooruitloopt op waar je zelf eigenlijk aan toe bent. Het is een poort die zich steviger sluit naarmate je er harder op bonst of aan rammelt. Dat zijn zo een aantal facetten van wat ik de afgelopen tijd meen te hebben geleerd.

Op Paaszondag, 12 april 2020, was het exact een half jaar geleden dat mijn vader overleed. Ergens rond deze dag, ik weet niet meer precies wanneer, had ik me tijdens een wandeling intensief innerlijk met hem verbonden, door – zoals hiervoor al beschreven – vanuit een sterk gevoel van warmte en liefde voor hem, een innerlijke ruimte in mezelf te openen en als open ruimte met me mee te dragen. Zoiets duurt dan even, waarna ik het weer loslaat. Even later stond ik stil op een bosrijke duintop, bij de plek waar een week daarvoor nog een jonge boom stond te stralen in haar witte bloesems. Voor en vlak bij mij stond een ontschorste, niet heel dikke boomstronk van pakweg 1 meter hoog in de grond. Terwijl mijn blik erop viel, zag ik een soort flitsbeweging: er schoot iets van boven naar beneden, dat precies achter deze boomstronk landde. Ik bewoog mijn hoofd wat naar links om te kijken wat het was. Ik zag de staart van een vogeltje, dat prompt bovenop de boomstronk fladderde, daar parmantig plaatsnam, en mij zijdelings even aankeek. Het was een roodborstje. Ik bewoog me niet, bang om het diertje te verjagen. Maar hij (of zij) bleef gewoon zitten, liet ineens het naar mij kijken los, en begon frontaal naar mij toe gericht luid en uitgebreid te zingen, zonder enige terughouding. Dat betekende dat hij mij niet goed meer kon fixeren met zijn blik (want bij vogels zitten de ogen aan weerszijden van het hoofd), en daarmee alle mensenangst vergat. Wat een explosie aan levensvreugde, vertrouwen en moed. Ik heb nog nooit een vogel van zo dichtbij horen en zien zingen, zeker niet ‘in het wild’. Ik kon zijn tongetje zien bewegen, de borstkas zien aanzwellen en afnemen, maar ik moet eerlijk zeggen dat ik vooral betoverd was door het loutere feit dat dit diertje zo vlakbij mij zo oorverdovend melodieus en vreugdevol aan het zingen was. Hoe lang het precies duurde weet ik niet, maar het zal ongeveer een halve minuut zijn geweest. Daarna was het nog niet afgelopen, want het roodborstje verplaatste zich naar een tak iets verder rechts van mij, misschien op 2 meter afstand, en begon weer te zingen, maar nu van opzij, mij met het linkeroogje aankijkend. Ook dit duurde ongeveer een halve minuut. Daarna verplaatste het diertje zich nog weer iets verder, rechts achter mij, en in een hogere tak, en zong daar weer iets van een halve minuut. Daarna vloog het weg, mij achterlatend met een gevoel van aanraking, vreugde en verwondering dat ik nog nooit eerder gevoeld had.

Dat was hoofdstuk 4. Volledigheidshalve moet ik toevoegen dat dergelijke ontmoetingen met roodborstjes in deze periode meerdere keren zijn voorgekomen als ik mij op de beschreven wijze meditatief met mijn vader had verbonden tijdens mijn wandelingen. Alleen was deze keer het meest indrukwekkend.
Ook is het zo dat de ontmoetingen sinds een paar weken gestopt zijn, waarbij ik me niet aan de indruk kan onttrekken dat dit enerzijds te maken heeft met de omstandigheid dat het niet meer nodig is, en anderzijds met de vraag wanneer ik nu eindelijk eens dit hele verhaal zou gaan opschrijven en publiceren. Bij deze.

Tot slot nog een paar foto’s van mijn vader, uit verschillende periodes van zijn leven:


1. “Die geistigen Wesenheiten in den Himmelskörper und Naturreichen”, GA 136. Vrij vertaald: “De geestelijke wezens in de hemellichamen en natuurrijken”.

2. “Brücken zwischen Leben und Tod; begegnungen mit Verstorbenen”, van Iris Paxino. Vrij vertaald: “Bruggen tussen leven en dood; ontmoetingen met gestorvenen”.

Reageren? Graag!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.