Lockdownsyndroom (een eenakter)

Een plein in een stad. Onder een paar bomen zitten een vader en zijn zoon uit te rusten op een bank. Het kind zit bij zijn vader op schoot. Ze likken allebei aan een ijsje.

Kind:
“Pap, waarom lopen er mensen met van die witte dingen voor hun gezicht? Ik kan hun mond niet zien.”

Vader:
“Ah ja jongen, dat zijn mensen die zich monddood hebben laten maken.”

Kind:
“Hè? Is hun mond dood gegaan? Kunnen ze niet meer praten?”

Vader:
“Nou ja: ze spreken zich niet meer uit. Dat hebben ze zich voorgenomen. En die witte dingen -mondkapjes heten die- zijn daar een symbool van.”

Kind:
“Wat is een symbool? Het klinkt als een vies woord. Of als een wapen.”

Vader:
“Haha, je bedoelt een pistool! Maar een symbool is iets dat je in plaats van iets anders gebruikt, dat meestal onzichtbaar is op dat moment.”

Kind:
“Jemig: waarom doen grote mensen altijd zo ingewikkeld? Ik snap er niks van. Hoe doe je dat dan: iets gebruiken in plaats van iets anders? En hoe kunnen ze weten dat dat andere dan bestaat, als het onzichtbaar is?”

Vader:
“Dat weten ze ook niet. Maar ze geloven dat het bestaat. En dat het allerlei werkingen heeft.”

Kind:
“Wel knap als je kan geloven in iets wat onzichtbaar is!”

Vader:
“Ja, misschien is dat inderdaad wel heel knap. Maar het is wel vaker voorgekomen hoor. En er bestaan trouwens ook veel dingen die onzichtbaar zijn. Vroeger geloofden de mensen bijvoorbeeld in iets wat ze “God” noemden. Dat was ook onzichtbaar.”

Kind:
“Ik geloof ook in God hoor. Die is helemaal niet onzichtbaar.”

Vader:
“Hoe kom je daar nou ineens bij? Sinds wanneer geloof jij in God? Ik heb je er nog nooit eerder over gehoord.”

Kind:
“Nou, sinds die keer dat ik geen smurfenijs mocht van jou.”

Vader:
“Ga je nou weer over dat smurfenijs beginnen? Je weet dat ik het niet wil. Er zit allemaal troep in. Die kleurstof is echt ongezond. Er zijn kinderen die..”

Kind:
“Maar pap, luister nou even. Toen scheen de zon op het tafeltje waar we zaten, en ik zag allemaal lichtgevende aardige gezichten in het licht. Van God natuurlijk.”

Vader:
“Gezichten? In het licht? Soms begrijp ik echt helemaal niets van jou. (zwijgt even) Maar in ieder geval: vroeger, heel lang geleden, had iedereen het wel over God, maar niemand wist hoe God eruit zag. Tot er iemand kwam die dat precies wèl wist, en er ook over vertelde.”

Kind:
“Dat was wel heel aardig dan.”

Vader
“Ja, hij was heel aardig, schijnt. Hij was de zoon van God. Maar de mensen geloofden hem niet. Ze vonden hem brutaal dat hij zich de zoon van God noemde. En toen hebben ze hem vermoord.”

Kind:
“Pap, ik vind dat geen leuk verhaal.”

Vader:
“Nee, sorry jongen. Je hebt gelijk. Laten we het over iets anders hebben.”

Kind:
“Wat voor dingen zijn nog meer onzichtbaar?”

Vader:
“Nou, bijvoorbeeld landsgrenzen. En taal. Muziek ook. Economie. Tijd is ook onzichtbaar.”

Kind:
“Hè? Tijd onzichtbaar? .. (denkt na).. Dus een horloge is ook een symbool? Of een klok!”

Vader:
“Ja dat klopt eigenlijk wel. En weet je: licht is ook onzichtbaar! Licht máákt alles zichtbaar, maar is zelf onzichtbaar! Ik vind dat geweldig geheimzinnig. En als je verder denkt..”

Kind:
“Pap?..”

Vader:
“… dan is ruimte eigenlijk ook onzichtbaar. Je ervaart ruimte alleen maar doordat er dingen in staan; voorwerpen of mensen, en..”

Kind:
“Pap: ik ben pas 7 hè!”

Vader:
“O ja, sorry jongen: ik draaf weer eens door.”

Kind:
“Zijn er nog dingen onzichtbaar die ik begrijp?”

Vader:
“Misschien liefde?”

Kind:
“Maar mamma is toch niet onzichtbaar? En jij ook niet. En Lineke ook niet.”

Vader:
“Wie is Lineke?”

Kind:
“O, die zit bij mij op school.”

Vader:
“Okée… Nee, maar voor mamma en jou en mij is de liefde misschien wel niet onzichtbaar, maar andere mensen kunnen die niet zien van ons.”

Kind:
“Maar die kunnen hun eigen liefde toch wel zien? Voor hun moeder of vader, of hun kind, of iemand anders?”

Vader:
“Ja: iedereen kan zijn eigen liefde zien. Maar een echt mens kan de liefde van iedereen zien.”

Kind:
“Omdat een echt mens liefde voor iedereen heeft. Zoals die zoon van God.”

Vader:
“Hoe kom je daar nou weer bij? Je blijft me verbazen jongen.”

Kind:
“Van die zoon van God. Ik zie hem wel eens. Hij is echt heel aardig.”

Vader:
“Hoe bedoel je dat je hem wel eens ziet? Dat kan toch helemaal niet? Het is…”

Agent:
“Goedemiddag: wat zijn wij hier aan het doen?”

Vader:
“Wij zitten even op een bankje in de zon met elkaar te praten.”

Kind:
“En een ijsje te eten.”

Agent:
“U zit te dicht bij elkaar. En ook nog zonder mondkapje.”

Vader:
“We kunnen moeilijk een ijsje eten met een mondkapje op, toch agent?”

Kind:
“En hij is mijn vader hoor.”

Agent:
“Dat zullen we nog wel eens even zien. Heeft u een legitimatie voor mij!”

Vader:
“O sorry: die heb ik nu even niet bij me.”

Agent:
“Dus even samengevat: u zit hier zonder mondkapje bij elkaar op schoot in een niet te verifiëren familieverband. Dat gaat me de boete wel worden vrees ik.”

Kind:
“Nee hoor dat klopt niet helemaal: ik zit alleen bij pappa op schoot. Hij zit niet bij mij op schoot.”

Vader:
“Hij heeft wel gelijk, toch agent? Twee mensen kunnen niet gelijktijdig bij elkaar op schoot zitten.”

Agent:
“En ook nog eens een grote mond naar de handhaving. Ik haal er even versterking bij.”

Kind:
“Wilt u proeven? Ik heb chocola en aardbeiensmaak.”

Agent:
“Proeven? Hou dat ding bij je, corona-dreiger!”

Er komt een arrestatieteam uit een politiebusje tevoorschijn. Ze omsingelen vader en kind. De 1e agent begint aan de vader te trekken, maar het lijkt alsof hij geen vat op hem krijgt. Met het kind hetzelfde verhaal. Voorbijgangers beginnen stil te staan bij het tafereel. Er vormt zich een menigte.

Verslaggever:
“Sinds enkele uren speelt zich een vreemd schouwspel af in deze anders zo rustige wijk. Volgens de berichten proberen gezagsdragers een vader en zoon van een bankje te verwijderen, dat zich even verderop onder de bomen bevindt, omdat zij zich niet aan de regels hielden en corona-dreigers bleken te zijn. Maar het schijnt ze niet te lukken. Momenteel zien we één zwarte, worstelende muur van uniformen om het bankje heen staan, en iedereen vraagt zich af waarom het zo lang duurt. De sfeer is geladen. Zojuist hoorde ik van een omstander die er van het begin af bij was, dat zowel de vader als de zoon niets leken te merken van de aanwezige agenten, noch van hun pogingen om ze van hun plaats en mee naar het politiebureau te krijgen. Ze praatten rustig en intens met elkaar, alsof ze in een andere wereld leefden. Je kon ook niet horen wat ze zeiden. Aldus deze ooggetuige. Maar dat is alweer een tijdje terug, en op dit moment kan niemand precies zien wat er gebeurt. Oververmoeide agenten worden af en toe afgelost door verse krachten, die zich in het gewoel van wringende ruggen en armen voegen. Maar wat is dat? Het lijkt erop dat de commandant zich ermee gaat bemoeien. Hij maant de agenten om ruimte te maken, zodat hij er door kan. De agenten gaan opzij; het bankje wordt zichtbaar. Hé, maar dat is vreemd: er zit niemand op het bankje! Het is gewoon een leeg bankje! Hoewel: ik zie de resten van 2 ijshoorntjes, als ik het tenminste goed heb. Merkwaardig. De reacties van de omstanders overstemmen de verbijstering die van de gezichten van de commandant en de politie-agenten is af te lezen. Iedereen begint door elkaar te roepen en te zoeken. Er heerst verwarring en onrust. Een goed moment om terug te keren naar de studio.”

Vader en zoon staan intussen aan de overkant van de straat naar de commotie te kijken. Niemand heeft oog voor hen.

Kind:
“Ze zien onze liefde echt niet hè?”

Vader:
“Nee jongen. Laten we naar huis gaan.”

Reageren? Graag!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.