Het duurt een eeuwigheid

De titel van dit stukje is, hoewel gewoon spraakgebruik waarvan we allemaal wel weten wat het betekent of in welke situaties het te gebruiken is, eigenlijk een contradictio in terminis (een tegenspraak in zichzelf). Want heeft eeuwigheid wel een duur?

Wil iets duren, dan heeft het tijd nodig. Maar ook het begrip “eeuwigheid” is, hoewel het daar eigenlijk aan wil ontsnappen, ontleend aan het bestaan van tijd1). Niet alleen omdat het is afgeleid van het woord “eeuw”, dat zoals we eveneens allemaal weten een periode van 100 jaar beschrijft, maar ook in figuurlijke zin. Eeuwigheid is dan iets dat nooit ophoudt: zo is de gangbare voorstelling. Maar iets dat nooit ophoudt heeft onderliggend tijd nodig: alle tijd namelijk die er is en ooit zal zijn, teneinde nooit op te kunnen houden.

Bij “eeuwigheid” wordt ook meestal vooruit gekeken, naar de toekomst. “Het eeuwige leven” bijvoorbeeld, is iets dat zich in de voorstelling ervan vooral naar de toekomst toe voortzet. Voor de een is dat dan geruststellend, voor de ander onverdraaglijk. Maar beide sentimenten zijn ook ingebed in de context van een aanwezige tijd. Ondraaglijkheid kan zich alleen in de tijd kenbaar maken, net als gerustgesteld zijn. Tijd verleent namelijk duur aan alles. Buiten de tijd hebben dingen geen duur. Dat is wezenlijk anders dan dat hun duur geen einde heeft, zoals bij het begrip “eeuwigheid”.

De aanname die vaak onwillekeurig wordt gedaan bij het exclusief naar de toekomst kijken waar het over het begrip “eeuwigheid” gaat, is dat er wordt uitgegaan van een begin. De gedachte “het eeuwige leven”, of “het eeuwige voortbestaan van de ziel” strekt zich vooral naar de toekomst uit, maar baseert zich ook op het moment in het nu waarin deze gedachte opkomt. Het nu wordt daarmee een soort beginpunt voor het eeuwige voortbestaan, dat zich dan vanuit dit nu voortzet in een oneindige toekomst.

Maar kan iets dat eeuwig is wel een begin hebben?

Wij kunnen ons in eerste instantie niets anders voorstellen dan dat iets een begin moet hebben, omdat wijzelf met ons denken en voorstellen ingebed zijn in het element van de tijd.

Maar iets wat werkelijk eeuwig is, heeft behalve een duurloze toekomst ook geen begin. Het kan nooit begonnen zijn. Want een begin zou het eeuwige ervan tegenspreken.

Het werkelijk eeuwige kan nooit begonnen zijn. Maar het is er ook niet altijd al geweest, want “altijd” speelt zich binnen de tijd af, omvat alle tijd.

Het werkelijk eeuwige kan niet begonnen zijn, en niet eindigen.
Deze gedachte vervult mij met een ongekende vreugde.
Ik begrijp opnieuw wat goddelijk is. En dat dat niet te begrijpen is. Niet met een denken of voorstellen dat zich binnen het tijdelijke ontvouwt.


1. Over alles is al wel eens nagedacht. Daarom zijn er beslist filosofische betogen te vinden waarin het bestaan van tijd op wat voor wijze dan ook ontkend, bevraagd, ontkracht of als onjuiste aanname beredeneerd wordt. Ik heb het wie en wat daarvan wel hier en daar voorbij zien of horen komen, maar niet onthouden. Waarmee niet gezegd is dat ik het als onzin afdoe. Ik zou niet durven. Maar voor de huis-tuin-en-keukenmens, waartoe ik mezelf ook reken, is tijd toch meestal wel een aanname die een zekere werkelijkheidswaarde heeft.

Reageren? Graag!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.