De nevelmeester

Deze winterochtend werd ik vroeg wakker, iets voor half zes. Buiten was de hemel nog van zo’n donker dat je echt met genoegen aardedonker noemt. Maar dat was niet alles, want er hing een dichte wittige nevel in de lucht, als een soort sneeuw die te snel was, die niet kon wachten tot het koud genoeg was. Buiten is het knus, dacht ik. En ik besloot meteen te gaan wandelen. Althans na wat washandelingen, een staand fruitontbijt, en 3 kwartier losmaakoefeningen voor allerlei spieren die als houten planken voelden.

“Eeh wacht even”, onderbrak ik de verteller: “Wie ben jij eigenlijk, die zich hier “ik” noemt en dit verhaal vertelt? Ben jij mij?”
“Nou nee”, zei ik, “niet perse; ik kan iedereen zijn hoor.”
“Okay”, zei ik, “goed om te weten. Want ik heb er geen zin in dat er allemaal privacy-gevoelige informatie over mijn doen en laten ’s ochtends in de openbaarheid verschijnt. Maar ga door met je verhaal.”

Ik ging dus meteen naar buiten om te wandelen in deze geheimzinnig wit oplichtende, maar ook waterkoude nanachtschemering, die mijn nog dromerige voetstappen omhulde als een wijkende deken.

“Nou nou”, zei ik: “dat is me de volzin wel zeg. Daar zou ik echt nooit mee aankomen.”
“Nee, maar jij bent al genoeg aangekomen”, grapte ik.
“Tss, ik ben toevallig wel 5 kilo afgevallen in de laatste 3 maanden hoor”, pareerde ik.
“O, ik dacht dat jij geen privacy-gevoelige informatie wilde delen?” zei ik. “En bovendien onderbreek je me de hele tijd. Zo kan ik toch geen stemming opbouwen!”
“Ja al goed, je hebt gelijk: ik zal het niet meer doen.”

Ik wandelde dus in de nanachtschemering lang de bosrand, tussen her en der weggegooide of verloren witblauw oplichtende mondkapjes, helemaal alleen in de diepte van de stilte, en vroeg me af wie er donkerder was: de hemel of ik. Want ik voelde ineens dat ik niet meer naar huis terug wilde keren, dat ik geen huis meer had. Het was tijd om te vertrekken. Terwijl dit tot me doordrong zag ik een gestalte op me af komen, die vlak voor me bleef stilstaan, zonder mondkapje overigens. “Weet u misschien van welk station de trein naar Deventer vertrekt?”, vroeg de man, met een uiterst vriendelijke stem en een Oost-Europees accent. Ik glimlachte: “Dat is wel een beetje een jaren-90 babbeltruc hoor. Iedereen heeft toch tegenwoordig gewoon een smartphone waarmee je dat kan opzoeken. Wat wilt u van mij?” De man keek me aan, maar ik kon zijn gezicht niet onderscheiden. Na een te lange stilte, die op zich niet ongemakkelijk was, zei hij: “Ja ik ben hier al een tijdje niet meer geweest, en je moet toch met iets het ijs breken, nietwaar?”
“Bent u een ijsbreker dan?” vroeg ik, de denkbeeldige hamer van hem overnemend.
“Nee”, zei hij: “Ik ben een nevelmeester. En je kunt met ons meekomen, als de tijd daar is. We zullen een nieuw hemellichaam vormen in de nabije toekomst”.
“Maar de aarde dan?” vroeg ik.
Hij hief zijn hand geruststellend op: “De aarde zal anders verder gaan. De huidige ontwikkelingen zijn zodanig dat deze planeet niet meer bijeen zal kunnen blijven in de vorm waarin ze tot nu toe heeft bestaan. Er is teveel tendens naar beneden, teveel onsamenhang, of alleenhang zoals wij zeggen, waardoor bepaalde substanties, maar ook bepaalde mensen, en dat zijn er waarachtig niet weinig, niet meer met deze planeet verbonden kunnen blijven.”
Ik keek opeens toch even om naar de straat waar ik woonde, of ik mijn huis niet zag staan, maar alles verder dan 5 meter verdween in de mist. “Ik weet het niet hoor, of ik wel mee wil. Is het echt voorbij dan, met deze aarde?”
De nevelmeester legde een hand op mijn schouder: “Dacht jij niet net dat je geen huis meer had; dat je het thuis-zijn op aarde verloren had?”
“Hoe kunt u nou weten wat ik dacht?” vroeg ik, weer met die privacy-gevoeligheid in mijn achterhoofd natuurlijk, maar ergens begreep ik het wel. Het was menens.

“Ja het is menens”, zei hij. “Er zal opnieuw een afsplitsing komen. Na de zon en de maan zal zich opnieuw een hemellichaam afsplitsen van wat nu de aarde is, samen met alle zielen die niet meer mee kunnen of willen leven met de nieuwe richting die het leven op aarde nu gaat inslaan.”
“Is dat goed of slecht?”, vroeg ik. Hij antwoordde: “Vraag liever wanneer het slechte goed is, of wanneer het goede slecht is. Het is zoals het wordt, en het zal zijn zoals het is geworden.”
Daar zou ik geen verkiezingscampagne mee ingaan, dacht ik snel, en te laat beseffend dat hij ook deze gedachte waarschijnlijk had waargenomen.
“Gevoel voor humor is iets moois”, zei hij met een zekere afgunst in zijn stem, “maar daar is hier binnenkort ook geen plaats meer voor. De huidige omstandigheden sluiten nu eenmaal bepaalde mogelijkheden uit, vooral voor diegenen die nog weten dat ze een ziel hebben. Jij bent zo iemand. Anders was je mij niet tegen gekomen. En als er voor hen geen plek meer zal zijn in de aardecultuur, dan zullen deze zielen zich, samen met alles wat van de aarde met hen verbonden is, uit het aardelichaam losmaken, en zij zullen een nieuw hemellichaam, een nieuwe maan voor de aarde vormen, die alleen nog van buiten op de aarde kan inwerken, en dat ook zal moeten doen, wil de aarde niet verloren gaan.”

“Bent u niet wat te pessimistisch?”, vroeg ik hoopvol, ook omdat ik voelde dat de zon weldra zou opkomen: “Is het echt gedaan met de aarde die ik ken?”
De nevelmeester keek de hemel in. “Ik ben bang van wel.” Hij aarzelde even. “Tenzij… Er is nog één ding wat gedaan kan worden, maar daarvoor moet..”

En toen werd ik dus verdomme wakker van het kabaal van metalen fitness-apparaten in de tuin van de buren, die daar een sportschool hebben. Het was 10 over 7, ik lag in mijn kamer in bed, en wist al bijna niet meer wat ik had gedroomd.

2 thoughts on “De nevelmeester

Laat een reactie achter bij Maartje Reactie annuleren

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.